MOLA MOLA

Het lijkt alsof onzichtbare handen me de donkere diepte in trekken. Op mijn duikhorloge zie ik de meters oplopen, 28 meter…29 meter. Ik blaas telkens wat lucht in mijn vest, wat – net als het trappen met mijn vinnen- niet het gewenste stijgen veroorzaakt en ik vraag me ineens af hoe diep de zee hier eigenlijk is.

We duiken al een aantal dagen op Nusa Lembongan, Indonesië. Een plek met veel kans op het zien van de mola mola, een groot buitenaards-achtig zeedier dat nog het meeste weg heeft van een zwemmende vissenkop. Een fantastisch schepsel en toevallig ook mijn bucketlist-vis. Maar op dit moment, en op inmiddels 32 meter, kan die fucking mola mola me gestolen worden.

Het naar boven zwemmen put me dusdanig uit dat ik overweeg mijn loodgordel af te gooien, maar kan me gelukkig nog net beheersen, want te snel stijgen op deze diepte zou serieuze decompressieziekte veroorzaken. En de dichtstbijzijnde decompressietank waar ik dan ongetwijfeld naartoe zou moeten, staat een paar uur vliegen verderop.

In plaats van dergelijk horrorscenario zwem ik met het laatste beetje energie naar de duikgids, schud driftig mijn hoofd en doe iets dat ik na bijna 300 duiken nog nooit halverwege een duik heb gedaan. Ik klamp hem vast en steek wild mijn duim naar hem op, waarmee ik ‘ik wil naar boven, en wel nu!’ bedoel. Mijn duikgids gaat gelukkig niet mee in mijn paniek en brengt me naar een rotsformatie verderop die hij me gebaart vast te houden. Daarbij kijkt hij me aan en gebaart met zijn handen dat ik hier even op adem moet komen. Ik doe dit, want zit inmiddels tegen een hyperventilatie aan, wat best akelig voelt met die ademautomaat in mijn mond. Na een paar minuten kalmeer ik en op een zeker moment komt de duikgids kijken hoe het met me gaat.

‘Kom langzaam mee naar vijf meter en doe de safety-stop,’ geeft hij aan. Langzaam ga ik naar boven en dat lukt tot mijn verbazing opeens makkelijk, maar de dreigende afwezigheid van de onzichtbare handen maakt dat de stop, die ik elke duik zonder nadenken doe, veel langer voelt dan de daadwerkelijke drie minuten.

Met een nagenoeg lege tank kom ik boven, waar de duikgids in gebrekkig Engels uitlegt dat ik in een zogenoemde downcurrent terecht was gekomen. Een stroming die je niet naar links of naar rechts, maar van boven naar beneden trekt. Tot dat moment wist ik niet eens dat zoiets bestond.

In de boottocht terug zit de duikgids nonchalant te roken en te keuvelen met de kapitein, en ik vraag me af of hij weet dat hij mijn leven heeft gered. Maar ik heb geen puf het hem te vragen. In plaats daarvan stel ik me voor hoe het voor Marcel en de meisjes geweest zou moeten zijn als ik niet op de boot had gezeten.

‘Mama!’ roept Amber bij aankomst vanaf het strand en ik kan alleen maar huilen.

Marcel en de mededuikers op het resort zijn geschrokken van mijn hachelijke avontuur, maar sporen me aan om de andere dag meteen weer mijn duikfles om te hangen, omdat ik het anders nooit meer zal doen. Kennelijk verzacht zo’n enge ervaring ook mijn ruggengraat, dus de andere dag doe ik wiebelig en zenuwachtig een backroll vanaf de boot. We zijn met een grote groep, iets wat me gek genoeg gerust stelt. Het duiken voelt goed en er is godzijdank weinig stroming. Toch hou ik de duikgids nauwlettend in de gaten. Eerlijk gezegd boeit het me niet eens of ik die mola mola zie, want überhaupt weer duiken is nu al indrukwekkend genoeg.

Na nog geen vijf minuten zie ik de duikgids gericht naar iets kijken. Hij kijkt nog eens beter, wijst, en tikt hard met zijn ijzeren pointer op zijn duikfles om onze aandacht te trekken…

En ja hoor, daar in de verte doemt een wit gedaante op uit de duisternis, een buitenaards bucketlist-waardig zeedier… de fucking MOLA MOLA!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *